Inleiding

Inleiding

Een grote verscheidenheid aan planten en culturen

De basis voor deze app was het boek "Medicinale en rituele planten van Suriname" van Tinde van Andel en Sofie Ruysschaert. Het boek is tot stand gekomen met hulp van studenten, interviewers en informanten in Suriname en Nederland. In deze inleiding gaat het over het boek.  

Suriname is een land met een grote biologische diversiteit. Als onderdeel van het Guiana Schild herbergt het land een unieke flora. Behalve grote stukken ongerept tropisch regenwoud heeft Suriname savannes, moerassen en inselbergvegetaties. Het totaal aantal plantensoorten wordt geschat op 4.984, waarvan meer dan 95% inheems is voor het land (Funk et al., 2007). Het zuidelijke deel van het Surinaamse binnenland is zelfs zo ontoegankelijk, dat er op veel plekken nog nooit een botanicus is geweest (Haripersaud, 2009). Tijdens recente expedities in dit gebied zijn er niet alleen veel planten aangetroffen, maar ook vissen, amfibieën en insecten die nieuw waren voor Suriname of nooit eerder wetenschappelijk waren beschreven (Alonso & Mol, 2007). Hoewel zeker 70% van de vegetatie van Suriname nauwelijks door mensen is verstoord, wordt de unieke biodiversiteit van het binnenland wel bedreigd.

De Surinaamse overheid wil het binnenland beter toegankelijk maken en de natuurlijke rijkdommen verder exploiteren. Goudzoekers uit Brazilië, Guyana en Suriname zelf trekken steeds dieper het binnenland in om met graafmachines, hogedrukspuiten en kwik het goud uit de bodem vrij te maken. Grootschalige exploitatie van goud, hout en bauxiet door buitenlandse bedrijven staan op de agenda voor de toekomst. Deze plannen vereisen de aanleg van nieuwe wegen, waardoor het bos verder toegankelijk wordt gemaakt voor nieuwe bewoning en economische activiteiten. De kans is groot dat het kwetsbare ecosysteem van het tropisch regenwoud hierdoor ernstig wordt aangetast (van Dijck, 2009, 2010).

Suriname herbergt behalve biologische verscheidenheid ook een unieke culturele diversiteit. De eerste inwoners van het land waren Arawak Indianen, die ongeveer 500 na Christus het land binnen kwamen.
Rond 1200 verdreven de Caribs (of Karaïben) ze van hun landbouwgronden. Deze twee stammen vormen nog steeds de belangrijkste inheemse bevolkingsgroepen, naast de Trio’s en de Wayana’s. 

De eerste Nederlanders vestigden zich in 1613 langs de monding van de Surinamerivier, maar het waren de Engelsen die in 1651 de eerste permanente plantages aanlegden (Benjamins en Snelleman, 1917). Sefardische Joden uit Brazilië vestigden zich rond 1665 in de savannegordel. De Engelsen begonnen als eerste met de import van Afrikaanse slaven om op de plantages te werk te stellen. De Nederlanders, verenigd in de West Indische Compagnie, beheersten hierna lange tijd de slavenhandel aan de Afrikaanse Westkust.

Er zijn in totaal tussen de 200.000 en 300.000 Afrikanen naar Suriname verscheept; de meesten kwamen uit het gebied tussen Ghana en Benin en tussen Zuid-Gabon en Noord-Angola (van Lier, 1977, Postma, 1990, Arends, 2002). Veel van hen weigerden zich aan de grillen van hun meesters te onderwerpen en vluchtten het bos in. Hun nakomelingen, de Marrons, leven nu nog in stamverband in het binnenland. Ze zijn onderverdeeld in een aantal groepen (Saramaccaners, Aucaners, Boni, Matawai, Paramaccaners en Kwinti’s). Tien jaar voor de afschaffing van de slavernij in 1863 begonnen de plantagehouders arbeiders te ronselen in Nederland, China, Java en India. Sommige van contractarbeiders keerden terug naar hun geboorteland, maar de meeste bleven in Suriname. De laatste decennia zijn er vooral Chinese en Braziliaanse immigranten het land binnengekomen.

Al deze verschillende bevolkingsgroepen brachten niet alleen hun eigen taal, cultuur en religie met zich mee, maar ook hun eigen plantgebruik en ideeën over ziekte en gezondheid. In de loop der eeuwen hebben de bevolkingsgroepen zich vermengd. Creolen, mensen met zowel Afrikaanse als Europese voorouders, vormen nu de tweede bevolkingsgroep van Suriname. Er heeft ook veel uitwisseling plaatsge - vonden van plantenkennis tussen de bevolkingsgroepen. Van oorsprong Javaanse planten worden nu verbouwd op kostgrondjes van Marrons in het binnenland, Indiaanse gebruiksplanten komen terug in Creoolse kruidenbaden. Veel Surinamers zijn vandaag de dag voor hun dagelijkse levensbehoeften nog steeds afhankelijk van wat hun erf of kostgrondje oplevert en van de flora (en fauna) in de bossen die 7 hen omringen. Planten leveren hen voedsel, medicijnen, onderdak, spullen voor huishoudelijk gebruik, cash inkomen en spirituele zingeving. De unieke Surinaamse combinatie van een hoge biodiversiteit, afhankelijkheid van natuurlijke hulpbronnen en een grote culturele diversiteit heeft geleid tot een grote verscheidenheid aan plantgebruik.

Etnobotanisch onderzoek in Suriname

Etnobotanie, de studie naar de relatie tussen mensen en planten, mag dan een vrij recente term zijn, de tak van wetenschap is een van de oudste ter wereld. Tweeduizend jaar voordat de Griek Dioscorides zijn De Materia Medica schreef (A.D. 77), waren Chinezen al begonnen met het documenteren van hun kennis over medicinale planten (Balick & Cox, 1996). De eerste botanici die Suriname aandeden waren ook op zoek naar nuttige planten. De oudste herbariumexemplaren voorzien van lokale namen en gebruik dateren uit ca. 1680 en zijn door een onbekende verzamelaar (misschien Hendrik Meyer?) geschonken aan de Leidse Professor Paul Hermann (van Ooststroom, 1939).

Na Maria Sibylla Merian (1705) die behalve haar beroemde insectentekeningen ook menig plantgebruik vastlegde, kwamen Carl Gustav Dahlberg (in 1748) en Daniel Rolander (1754-1756) naar Suriname. Deze twee Zweden legden een schat aan etnobotanische kennis vast. Dahlbergs catalogus uit 1771 werd nooit gepubliceerd, maar zijn collecties kwamen terecht bij Linnaeus, die de wetenschappelijke beschrijvingen publiceerde in Plantae Surinamensis (Alm, 1775). Rolanders uitgebreide reisverslag uit 1755 werd pas in 2009 voor het eerst vertaald en toegankelijk voor het grote publiek. Echte botanische expedities vonden pas plaats in de 19e eeuw (Ek, 1991). In het begin van de 20ste eeuw bezochten de Utrechtse botanici F.A.F.C. Went en A.A. Pulle het land, wat resulteerde in de Flora of Suriname. Na 1986 werd dit project gecontinueerd door het nog steeds actieve internationale Flora of the Guianas programma, geleid vanuit het Nationaal Herbarium Nederland, nu onderdeel van het Nederlands Centrum voor Biodiversiteit Naturalis in Leiden. Hoewel de botanici in deze floraprojecten wel lokale namen noteerden (van het Klooster et al., 2003), besteedden ze weinig aandacht aan het gebruik en de domesticatie van de soorten die zij beschreven.

Met de publicaties van Stahel (1944), Geijskes (1954) en Ostendorf (1962) werden de nuttige planten van Suriname voor het eerst systematisch in kaart gebracht. Veel auteurs hebben nadien hun best gedaan om de traditionele Surinaamse kruidenkennis vast te leggen (May, 1982; Titjari, 1985; Heyde, 1985, 1987; Slagveer, 1990). Deze studies waren echter niet of nauwelijks gebaseerd op herbariumcollecties en zijn dus moeilijk achteraf verifieerbaar. Onderzoekers als Plotkin (1986), Tjong Ayong (1989) en Raghoenandan (1994) lieten wel herbariumvouchers achter van de planten gebruikt door respectievelijk de Trio Indianen, de Javanen en de Hindostanen. Vanuit de antropologie is altijd veel aandacht geweest voor traditionele Surinaamse religies (Herskovits & Herskovits, 1934, 1936; Van der Elst, 1971; Wooding, 1972; Kloos, 1975, Price, 1983, 1990, 2008), ondanks het feit dat tot 1971 het uitoefenen van traditionele geneeskunst en het praktiseren van de wintireligie verboden was in Suriname (van Kempen, 2002).

Na de publicatie van het standaardwerk over de Afro-Surinaamse religie (Wooding, 1972) en de boeken over winti en ritueel plantgebruik van Stephen (1979, 1986, 1998) en Sedoc (1992) kwam er meer erkenning voor deze traditionele godsdienst in de Surinaamse samenleving. Het medicinale en rituele plantgebruik van de Marrons is echter nog lang onderbelicht gebleven. Pas de laatste jaren begint hier verandering in te komen met het onderzoek van Hoffman (2009) en van ’t Klooster (2009) aan de Boven Surinamerivier, het onderzoek van Ruysschaert en medewerkers (2006, 2007, 2009, 2011) in Brownsweg en Van Andel et al. (2007, 2008, 2010) in Bigiston, de Beneden Surinamerivier en Paramaribo.

Onderzoek en veldwerk 

Het plantgebruik dat staat beschreven in dit boek is opgetekend tijdens veldwerk in Suriname, afkomstig van herbariumexemplaren uit het Nationaal Herbarium Suriname (BBS) en het Nationaal Herbarium Nederland (NHN) en uit de literatuur. Veldwerk in Suriname vond plaats tussen januari en juli 2006 8 (Van Andel) in de periodes februari-april en augustus-oktober in 2004 en 2005 en augustus-oktober in 2006 (Ruysschaert en medewerkers).

Veldwerk in Suriname bestond uit semi-gestructureerde interviews en verzamelexpedities in en rond Paramaribo, Bigiston (Marowijne), Klaaskreek, Nieuw Lombé en Marchallkreek (Brokopondo) en de omgeving van de Rijsdijkweg (Pará) en markt surveys in Paramaribo en Albina (Van Andel et al., 2007; 2008; Van Andel & Havinga, 2008), en uit semi-gestructureerde interviews, verzamelexpedities en de inventarisatie van hectareplots rond Brownsweg en Powakka Gajapersad, 2005; Koppert, 2005; Van der Linden et al., 2005; Bavay et al., 2006; Van Kerckhove et al, 2006; Van de Putte et al., 2007; Vermeulen et al., 2007; Ruysschaert et al., 2009; Ruysschaert, 2011). Aanvullend onderzoek werd verricht onder Surinamers in Nederland (Van Andel & van ’t Klooster, 2007; Van Andel & Westers, 2010).


   Veldwerklokaties, gebaseerd op een kaart van H. Rypkema.

Alle informatie over planten en hun gebruik werd verzameld nadat wij onze informanten duidelijk de doelstelling van het project hadden uitgelegd en zij toestemming gegeven hadden om hun kennis voor publicatie te gebruiken. Indien nodig werd hierbij gebruik gemaakt van tolken Aucaans, Saramaccaans 9 GUYANA Paramaribo Powakka Albina Klaaskreek Bigiston Brownsweg Suriname rivier Nieuw Lombé SURINAME FRANS GUYANA Marowijne of Sranantongo. De belangrijkste informanten tekenden bovendien een schriftelijke verklaring (Prior Informed Consent), opgesteld door de onderzoekers in samenwerking met de afdeling Natuurbeheer van de Dienst 's Lands Bosbeheer (LBB). Informanten kregen een passende vergoeding voor hun medewerking. Voor het verzamelen en exporteren van herbariummateriaal zijn ten allen tijde de benodigde verzamelvergunning en exportvergunning van NB-LBB aangevraagd en verkregen. Duplicaten van alle tijdens het veldwerk verzamelde planten liggen in het Nationaal Herbarium Suriname (BBS). Nummers verzameld door Ruysschaert en medewerkers zijn tevens gedeponeerd in het Herbarium van de Universiteit Gent (GENT); nummers van Van Andel in het Nationaal Herbarium Nederland (L) te Leiden (NCB Naturalis).

Wetenschappelijke namen

Familienamen van de in dit boek behandelde planten volgen zo veel mogelijk het APG III systeem van de Angiosperm Phylogeny Group (2009). Wetenschappelijke namen en auteursnamen zijn gebaseerd op de Checklist of the Plants of the Guiana Shield (Funk et al., 2007) en The Plant List van de Royal Botanic Gardens Kew (www.theplantlist.org). Synoniemen staan alleen vermeld als ze genoemd worden in de literatuur over nuttige planten van de Guiana’s.

Lokale namen

De lokale namen voor planten die in dit boek worden genoemd zijn opgetekend tijdens veldwerk, overgenomen van herbariumexemplaren of de literatuur (o.a. van ’t Klooster et al., 2003; Flora of Suriname; Heyde, 1987; Stephen, 1979, 1998; Van Andel, 2000) en de online woordenboeken van het Summer Institute of Linguistics (www.sil.org/americas/suriname). Soms zijn er Guyanees Creoolse namen opgenomen, omdat de plant onder deze naam op de markt verschijnt. In een enkel geval, als er sprake was van gebruik door Surinaamse Chinezen, zijn er ook Chinese namen en karakters opgenomen. Een aantal lokale plantennamen worden in dit boek voor het eerst gedocumenteerd. Hun officiële schrijfwijze is dan niet bekend, de namen zijn fonetisch opgeschreven.

In de meeste gevallen zijn de betekenissen van de lokale namen vernomen van de informanten die de namen zelf gebruikten; soms zijn ze afgeleid van woordenboeken of gebaseerd op onze eigen interpretatie. Lokale namen en begrippen zijn termen uit het Sranantongo, tenzij anders vermeld. De afkortingen van de talen zijn als volgt: Ak = Arekuna; Ar = Arawak; Au = Aucaans of Ndyuka; Bo = Boni of Aluku; Braz (Braziliaan), Ca = Caraïbisch; En = Engels; Fr = Frans, J = Javaans; Kw = Kwinti; Ma = Matawai; Ne = Nederlands; Pa = Paramaccaans; Sa = Saramaccaans; Sarn = Sarnami (Hindoestaans); SN = Surinaams-Nederlands; Sp = Spaans, Sr = Sranantongo; Way = Wayana. Minder vaak voorkomende talen zoals Trio, Sanskriet, Chinees of Apuku worden voluit vermeld.

Beschrijvingen

De beschrijvingen van de plantensoorten uit dit boek zijn gebaseerd op herbariumexemplaren uit het Nationaal Herbarium Nederland en op beschrijvingen uit de Flora of Suriname, Flora of the Guianas, Flora of Venezuelan Guayana (Berry et al., 2001), de Flora of Saül (Mori et al., 1997, 2002), Arnoldo’s zakflora van de Antillen (van Proosdij, 2001), de PROTA en PROSEA Series en de ongepubliceerde manuscripten van de Nederlandstalige Zakflora van Suriname. Bij planten met een groot verspreidingsgebied en een variabel uiterlijk is de beschrijving aangepast aan herbariumexemplaren uit Suriname.

Gebruik

Het plantgebruik dat staat beschreven in dit boek is opgetekend tijdens veldwerk in Suriname of afkomstig van herbariumexemplaren of uit de literatuur. Er is gekozen om alleen planten op te nemen die in Suriname groeien, in het wild of door mensen gecultiveerd. Geïmporteerde planten of plantaardige producten zoals (knoflook, ui, fenegriek of asafoetida) worden niet behandeld. In de meeste gevallen is alleen plantgebruik vermeld dat daadwerkelijk in Suriname is gedocumenteerd. Veel van de in dit boek opgenomen soorten worden ook in de omringende landen (of elders in de wereld) gebruikt op een andere manier. Van sommige plantensoorten is de farmacologische werking wetenschappelijk onderzocht. Alleen als er genoeg betrouwbare informatie beschikbaar was (afkomstig uit gerenommeerde wetenschap- 10 pelijke tijdschriften) over werkzame stoffen of het farmacologisch effect van deze planten, en als deze informatie aansloot bij het gebruik dat in Suriname was gedocumenteerd, is dit opgenomen bij de betreffende plantensoorten. Voor de meeste soorten waren er echter onvoldoende farmacologische gegevens beschikbaar om uitspraken te doen over de werkzaamheid van de medicinale recepten.

Wij zijn ons ervan bewust dat er binnen de Surinaamse samenleving grote variatie bestaat in de recepten waarin medicinale planten worden gebruikt. Ongetwijfeld zullen veel lezers zich de preparatie, toepassing en samenstelling van kruidenmedicijnen of –baden anders herinneren dan zoals het in dit boek vermeld staat. Ook over de interpretatie van wintirituelen en de werking van magische planten bestaan veel verschillende meningen. De auteurs houden zich aanbevolen voor suggesties en aanvullingen.

Commercieel gebruik

Informatie over de verkoop van Surinaamse plantensoorten is afkomstig uit marktonderzoek in Nederland in 1999 (Van Andel & van ’t Klooster, 2007) en 2007 (Behari-Ramdas, 2007) en in 2006 in Paramaribo (Van Andel et al., 2007). Het aanbod van Surinaamse kruiden op de markt is wisselend, vooral in Nederland. Nieuwe winkels gaan open (vooral op internet!), oude winkels sluiten hun deuren. De informatie over het commercieel gebruik dus niet altijd accuraat.

Dankwoord

Het onderzoek van Van Andel viel binnen het kader van het Flora of the Guianas-programma en werd mogelijk gemaakt door financiële ondersteuning van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO-ALW Open Competitie: nr. ALW1PJ/04052 en NWO Vernieuwingsimpuls: ALW-Vidi, nr. 016.101.337). De vervaardiging van een groot aantal botanische tekeningen werd gefinancierd door het Van Eeden fonds, het Hugo de Vriesfonds, de Alberta Mennega Stichting en het Van Leersum Fonds. Het onderzoek van Ruysschaert en medewerkers viel binnen een samenwerkingsovereenkomst tussen de Universiteit Gent (UGent) en het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek in Suriname (CELOS) en werd gefinancierd door het Bijzonder Onderzoeksfonds van de Universiteit Gent (BOF-UGent 011D09603). Aanvullende financiering werd verkregen van de Vlaamse Interuniversitaire Raad-Institutionele Samenwerking (VLIR-IUS), het Leopold III Fonds voor Natuuronderzoek en Natuurbehoud, de Commissie voor Wetenschappelijk Onderzoek van de Faculteit voor Bio-ingenieurswetenschappen van de Universiteit Gent (UGent CWO-FBI), de Alberta Mennega Stichting, het Fonds voor Onderzoek ten behoeve van het Natuurbehoud (FONA) en Synthesys. De publicatie van dit boek werd mogelijk gemaakt door Ron Smit en Peter Sanches van KIT Publishers, Amsterdam.

Het onderzoek in Suriname werd uitgevoerd in samenwerking met het Nationaal Herbarium Suriname (BBS), STINASU en CELOS. De auteurs zijn dank verschuldigd aan de Anton de Kom Universiteit van Suriname (ADEK), de Stichting voor Bosbeheer en Bostoezicht in Suriname (SBB), ’s Lands Bosbeheer- Dienst Natuurbeheer (LBB-NB), het Fonds voor Gemeenschapsontwikkeling in Suriname en de NGO Tjufanga. Speciale dank gaat uit naar Maureen Playfair, Caroline Chin en Dorothy Traag (BBS), Leon Comvalius, Jan Wirjosentono, Merdy Sewotaroeno, Rudi van Kanten, Minu Parahoe en Maria Callebaut (CELOS), Bryan Drakenstein en Ferdinand Baal (LBB-NB), Justus Leidsman (Tjufanga) en Wilco Finisie (CREP). We danken ook de bestuurders van alle dorpen in het binnenland voor hun interesse en toestemming om in hun gemeenschap te werken.

Behalve onze belangrijkste informanten, die op de fotopagina’s staan vermeldt, hebben de volgende personen waardevolle informatie bijgedragen aan dit boek: Albertine Poeketie, Alvin Thomas, Amonee Finfin, André Akoni, Andre Mosis, Blacky Finfin, Brian Mawdo, Cyrill Samuels, Denise Meense, Dennis Mans, Derwish Maddoe, Edith Stoffer, Eduard Schmidt, Edwin Kaffee, Emilien Cayenie, Enro Parami, Erna Jozefzoon, Florine Waterberg, Fred Fitz James, Gerardus Lucien Kabulefudo, Griselda Waandels, Henry Harold Stieger, Hanriette van Eewijck, Herbert Dankerlui, Imro Leydsman, J. Leydsman, Joel Finissie, Jaquelline Alubutu, Juliette Solomon, Lando Patra, Lefienke Baisie, Leo Stura, Leonard Macin tosh, Lien Tam, Lina Asudanoe Lonto, Linga Matiti, Lucenda Josefzoon, Lucia Mawdo, Maria Pokie, Marijke Kayen, Marlene Ceder, Martha Kadosu, Mavis Pinas, Myriam Eiflaar, Nauwtoe Ammain, 11 Oom Henk, Pandit Madho, Patty Prior, Purcy Alia, Renuka Sewnath, Ro Faria, Rowandie Sukking, Rudi Armaketo, S.C. van Ziehem, Sandra Plato, Santa Jankipersaudsing, Saskia Amimba, Silvie Kadosu, Silvie Waterberg, Sonoe Finkie, Stanley Finisie, Wetieman Asidé, Wewe Kan en Zwingly Waldemar Nyon. Naast de verkopers van de Vreedzaammarkt, Kwakoemarkt, Centrale Markt, Nieuwe Grond en Noodmarkt in Paramaribo en de markt in Albina, verschaften de volgende winkels ons waardevolle informatie: Amrish store, Bharat king, Bharat Lachmansing, Cultuurshop Thei, Etje's Little India, Fanowdoe sani, Glenns koeltoeroe winkrie, Indian Gift house Maharani, Kotomisi Shop, Krishna’s Bharat, Mahabier, Nowtoe Culturu Winkrie, Pandit Kokki, Pikien Nanga Gran Vanodoe Oso, Sabi wiri, Sangrafoe, Toko Kondreman, Toko Reigersbos en Tropische winkel Vanisha. Aanvullende gegevens werden verstrekt door 160 huishoudens in Brwonsweg en Powakka en meer dan 450 anoniem geïnterviewde Surinamers in Paramaribo, Den Haag en Amsterdam.

Alle studenten die deelgenomen hebben aan het onderzoek zijn wij zeer erkentelijk. Naast degenen op de fotopagina, wensen wij ook Gilles Bavay en Arne Vermeulen te bedanken voor hun bijdrage. Speciale dank gaat uit naar Berto Poeketie, die in Suriname altijd klaar stond om te helpen en leden van zijn omvangrijke familie in te zetten als informant, bootsman, taxichauffeur, logeeradres, kokkin, kinderoppas, schoonmaakster of tolk. Verder danken wij Romeo Tjong A Hung, Selma Ebicilio, Cleren Sabajo, Liliën Jona en hun families voor hun gastvrijheid, hulp en steun. Onderzoek in Nederland werd verder ondersteund door de GGD Den Haag (Stans Kraetzer en Els Enting) en de Stichting Rainforest Medical (Hans Arends, Henk van Wilgenburg en Fenny Vlietstra).

Dit boek is grotendeels gebaseerd op de kennis van oudere mensen. Vaak wordt beweerd dat medicinale plantenkennis dreigt uit te sterven door ontbossing, migratie naar de stad, verlies aan traditionele religie, globalisatie en verbeterde toegang tot de moderne gezondheidszorg. Dit geldt ongetwijfeld ook voor Suriname. Wij hoorden onze informanten vaak klagen dat ‘de jeugd van tegenwoordig’ zich niet meer zou interesseren in traditionele geneeswijzen en de kruiden niet meer kon herkennen. Toch viel het ons op dat veel jonge Surinamers zich met medicinale planten bezig houden. De verkoopsters op de Vreedzaammarkt in Paramaribo, soms niet ouder dan 30, hebben een uitmuntende plantenkennis. Met enige regelmaat worden er zelfs nieuwe medicinale planten ontdekt en uitgeprobeerd. Jongeren uit zowel Suriname als Nederland discussiëren actief over Surinaamse kruiden op online forums als www.culturu.com, www.suriname.nl, www.waterkant.net en www.mamjo.com.

Heel anders is het gesteld met de wetenschappelijke, taxonomische kennis over de Flora van Suriname. Dit boek had niet tot stand kunnen komen zonder de medewerking van een aantal gepensioneerde botanici, de meesten actief als gastmedewerkers aan het Nationaal Herbarium Nederland. Zij waren het die de moeilijkste planten voor ons op naam brachten, een vreemd houtje of een enkel zaad van de markt wisten te determineren, verloren gewaande beschrijvingen lokaliseerden, fondsen ter beschikking stelden, Latijnse etiketten vertaalden, tekeningen of foto’s leverden of tijd vrijmaakten om de tekst van dit boek te redigeren. De volgende mensen hebben waardevolle bijdragen geleverd aan dit boek: Paul en Hiltje Maas, Lubbert Westra, Hendrik Rypkema, Marion Jansen-Jacobs, Pieter en Siela Teunissen, Jifke Koek-Noorman, Cees Berg, Max van Balgooij, Jan-Frits Veldkamp, Pieter Baas, Willem en Brigitta de Wilde, Ferry Bouman en Hans Scheffer. Sommigen hebben de publicatie van dit boek helaas niet meer mee kunnen maken: Bep Mennega (†), Wim Hekking (†) en Jan Lindeman (†).

Een groot aantal taxonomen in diverse herbaria hielpen met de identificatie van het plantenmateriaal. Patrick Van Damme, Paul Goetghebeur en de medewerkers van het Labo voor Tropische en Subtropische Landbouw en Etnobotanie en de Onderzoeksgroep Zaadplanten van de Universiteit Gent worden bedankt voor hun wetenschappelijke inbreng en steun bij het onderzoek.

Traditionele kennis mag dan verloren gaan, toch worden er op dit moment nog altijd tientallen malen meer jonge Surinamers door hun (groot-) ouders onderwezen in de kruidengeneeskunst dan dat er jonge botanici worden opgeleid om de Surinaamse Flora en het gebruik ervan wetenschappelijk te documenteren. De kennis van Marron- en Indianengemeenschappen in het diepe binnenland van Suriname is nog nauwelijks vastgelegd, terwijl de traditionele leefwijze van deze mensen wel in de verdrukking dreigt te geraken. Vooral op het gebied van de domesticatie van wilde plantensoorten en de diversiteit van traditionele landbouwgewassen is nog weinig bekend. Hartsinck’s oproep uit 1770 is nog steeds relevant: er zijn nog altijd onderzoekers nodig om dit in kaart te brengen. Wij hopen dat dit boek een bijdrage kan leveren aan een hernieuwde interesse in de Surinaamse culturele en biologische diversiteit.